Vanaf de conceptie, dus al in de baarmoeder, krijgen wij allerlei indrukken te verwerken, waar we mee om moeten zien te gaan. Indrukken waar we als jong leven, niet meteen op kunnen reageren. De bevalling bijvoorbeeld is al vaak een heftige gebeurtenis omdat die niet voor iedereen even soepel verloopt. In de loop van onze jonge jaren volgt de rest van onze ervaringen. Het kan dat we dan ergens teveel of te weinig van krijgen, wat zo ons wereld- en ons zelfbeeld vormt. De heftigheid en de manier hoe wij verder met die indrukken omgaan bepaald of het gevormd wordt als zijnde trauma’s. Die wij, vaak om onszelf beschermen, keurig opbergen in onze rugzak en als last met ons meedragen omdat er als kind niet altijd de ruimte is om er wat aan te doen. Dan bepaalt de draagkracht en draaglast hoeveel wij daar last van zullen hebben en hoe wij daarmee functioneren in de rest van ons leven. In de meeste gevallen gaat dit prima en is de draagkracht en draaglast prima in balans. Maar krijg je daar opeens de diagnose kanker bij dan vraagt het (ver)dragen daarvan wel wat extra draagkracht, die niet altijd direct aanwezig is omdat het iets anders aan het dragen is en dan kan het evenwicht uit balans raken. Dit brengt dan weer bepaalde problemen met zich mee wat zich vaak uit in relaties of op het werk.

De diagnose kanker vraagt hiermee om een nieuwe aanpassing oftewel een manier om hiermee om te kunnen gaan. En deze veerkracht is niet bij iedereen even sterk en hangt tevens  af van verschillende factoren.

Er is onderzoek gedaan naar de effectiviteit van de draagkracht. Daaruit blijkt dat de veerkracht en de hechtingspatronen die iemand als kind heeft ontwikkeld hierin van groot belang zijn. De emotionele en verstandelijke reactie op stress en het gedrag wat hieruit ontstaat de copingstrategie bepaald, dus de manier hoe wij met problemen omgaan. Deze copingstrategie houdt de draaglast en draagkracht in evenwicht en bepaald de veerkracht. Veerkracht wordt ook bepaald door het vermogen om op een effectieve manier met onze emoties en gevoelens om te gaan. Hierin spelen onze ouders en daarmee onze opvoeding en de manier hoe zij weer gehecht zijn een grote rol in. Onze coping en daarmee ons functioneren wordt mede bepaald door de wijze waarop iemand gehecht is.

Onze hechtingservaringen vanuit de kindertijd spelen daarom een grote rol in de manier hoe er met het hebben van kanker om wordt gegaan. Ons zelfbeeld en hoe wij tegen onze omgeving aankijken, bepaald op welke wijze wij met tegenslagen, in dit geval kanker, om gaan. Mensen die in een onveilige omgeving opgegroeid zijn en daarmee onveilig gehecht zijn, ervaren meer stress tijdens het ziek-zijn en deze stress vermindert ook niet in de loop van de tijd. Hoe wij gehecht zijn bepaald dus de manier hoe wij met stressvolle en angstige situaties omgaan. Daarentegen hebben mensen die veilig gehecht zijn meer vertrouwen in zichzelf en in de toekomst en gaan zich snel beter voelen omdat de ziekte een minder grote rol speelt in het dagelijkse leven. Zaak is dus om te kijken naar deze hechtingspatronen om deze zo veel mogelijk te herstellen zodat ook deze mensen hun omgang met de ziekte kanker kunnen versterken en weer vertrouwen krijgen in de toekomst. Daar is goede en professionele hulp bij nodig die begeleiding bij kanker jou kan bieden. Want een beetje steun hierin is nooit weg. En ook al is een van de ouders overleden, er kan nog steeds aan de hechting gewerkt worden. Want daarvoor hoeft er niet naar het verleden terug gegaan worden, we kijken wat er op dat moment is.